Jacobus Plooy is een van Nederlands bekendste officieren van justitie. Hij was officier van justitie bij de afdeling zware criminaliteit van het Openbaar Ministerie in Amsterdam.
Plooy studeerde rechten aan de Universiteit Utrecht. Zijn carrière begon in 1991 als officier van justitie in Utrecht. Hier behandelde hij zowel milieu- en jeugdzaken als de veel voorkomende en de zware criminaliteit. In 1998 stapte Plooy over naar Amsterdam om zich uitsluitend met zware criminaliteit bezig te houden, met een nadruk op strarechtelijke onderzoeken naar de zogenoemde 'Hollandse' netwerken. In 2001 werd hij bevorderd tot officier van justitie eerste klasse.
Plooy verwierf bekendheid als aanklager in de zaken tegen Mink Kok, Charles Zwolsman, Volkert van der Graaf en de lijfwacht van Sam Klepper. Ook participeerde hij in het onderzoek naar de bomaanslag op Rob Scholte.
In april 2003 ontving Plooy een kogelbrief. Naar later bleek was deze afkomstig van een 48-jarige Rotterdammer die heropening van het onderzoek naar de moord op Chris van der Werken wilde afdwingen.
In september 2003 werd bekend dat criminelen plannen hadden om Plooy te vermoorden middels Albanese huurmoordenaars. Onder meer Greg R. en Jotsa Jocić zijn genoemd als mogelijke opdrachtgevers. Plooy moest onderduiken maar bleef zo veel mogelijk aan het werk. Toen bleek dat het OM geen toestemming gaf voor het inzetten van een kroongetuige in het onderzoek naar de bedreiging, stopte hij met het aandachtsgebied van de 'Hollandse' netwerken. Per 1 september 2004 stapte Plooy over naar het Landelijk Parket om zich wederom bezig te houden met de bestrijding van zware criminaliteit. Hij werd op 1 januari 2005 toegevoegd aan het onderzoek van de Nationale Recherche tegen de zogenoemde Hofstadgroep.